ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0851
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden
Verzoeker, een vreemdeling van Azerbeidzjaanse nationaliteit die sinds 1999 in Nederland verblijft, heeft een verzoek ingediend om een beoordeling op grond van de toezeggingen van de voormalige minister Nawijn en de motie Van Vroonhoven-Kok, waarin gebruik van de inherente afwijkingsbevoegdheid bij schrijnende omstandigheden wordt toegezegd. De Minister weigerde dit verzoek met een brief van 18 juli 2003, die de rechtbank als een besluit in de zin van de Awb kwalificeert.
De rechtbank oordeelt dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is, omdat niet is toegelicht waarom geen sprake is van schrijnende omstandigheden en omdat de inhoudelijke criteria voor beoordeling nog niet zijn vastgesteld. Tevens is van belang dat de Minister in eerdere brieven aan Vluchtelingenwerk Nederland heeft toegezegd dat geen uitzetting zal plaatsvinden totdat inhoudelijk op het beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid is beslist.
De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, verbiedt de uitzetting van verzoeker tot vier weken na beslissing op bezwaar, en veroordeelt de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee wordt de bescherming van verzoeker tegen voortijdige uitzetting gewaarborgd zolang de inhoudelijke beoordeling ontbreekt.
Uitkomst: De rechtbank verbiedt de uitzetting van verzoeker totdat op het bezwaar tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning is beslist.