ECLI:NL:RBSGR:2003:AM7767
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning op humanitaire gronden voor Kroatische asielzoeker
Eiser, een Kroatische asielzoeker van gemengde etnische afkomst, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Verweerder weigerde deze vergunning, stellende dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden en dat geen sprake was van een bijzondere gedragslijn ten aanzien van vreemdelingen uit Kroatië die behoren tot etnische minderheden of gemengde afkomst.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat het beleid correct was toegepast en dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte was verworpen. Verweerder had onvoldoende ingegaan op de stellingen van eiser over het werkdocument van april 1994 en werkinstructie 49 van februari 1996. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat verweerder later wel op alle stellingen was ingegaan.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer in Kroatië een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Ook de integratie van eiser in Nederland en zijn persoonlijke omstandigheden boden onvoldoende grond om verblijf toe te staan. De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten en wees de Staat aan als rechtspersoon voor vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.