ECLI:NL:RBSGR:2003:AN1242
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijfsvergunning op grond van risico op foltering en bijzondere hardheid
Eisers, afkomstig uit Afghanistan en de Russische Federatie, hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie die hun aanvragen voor een verblijfsvergunning afwezen. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b en d van de Vreemdelingenwet 2000 genoemde inwilligingsgronden, waarbij rekening werd gehouden met nieuwe feiten en omstandigheden na de bestreden besluiten, zoals de gewijzigde situatie in Afghanistan na de val van het Talibanbewind.
De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende individuele omstandigheden hadden aangevoerd waaruit een reëel risico op foltering of onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Afghanistan kon worden afgeleid. Ook het beroep op een categoriaal beschermingsbeleid werd afgewezen, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en de situatie in buurlanden.
De rechtbank concludeerde dat de Minister zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat terugkeer naar Afghanistan niet meer van bijzondere hardheid is en dat er geen grond was om het beschermingsbeleid voort te zetten. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.