ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1339
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen mededeling over tewerkstellingsvergunning
De werkgever verzocht verweerder per brief om bevestiging dat hij niet vergunningplichtig was voor de werkzaamheden van zijn Poolse werknemers. Verweerder reageerde met een brief waarin werd verwezen naar een eerdere brief en werd gesteld dat hij niet bevoegd was de gevraagde verklaring af te geven. De werkgever diende daarop een bezwaarschrift in, dat niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank beoordeelde of de brief van verweerder kon worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en oordeelde dat de brief slechts een feitelijke mededeling bevatte zonder rechtsgevolg. De brief was geen publiekrechtelijke rechtshandeling en dus geen besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt.
De rechtbank stelde vast dat de werkgever het juiste middel is om via een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning uitsluitsel te verkrijgen over de vergunningplicht. De werkgever kon niet volstaan met een algemene bevestiging zonder aanvraagprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskosten toe aan partijen.
De uitspraak bevestigt dat niet alle schriftelijke mededelingen van een bestuursorgaan een besluit vormen en benadrukt het belang van de aanvraagprocedure bij vergunningen onder de Wet arbeid vreemdelingen.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard omdat de brief van verweerder geen besluit is en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.