ECLI:NL:RBSGR:2003:AO1367
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring na langdurige detentie en onvoldoende voorbereiding uitzetting
Eiser is op 29 januari 2003 in vreemdelingenbewaring gesteld na een strafrechtelijke detentie van vier maanden. Gedurende de periode tussen zijn veroordeling en het einde van de straf heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) geen activiteiten verricht ter voorbereiding van zijn uitzetting, wat in strijd is met het eigen beleid. Hierdoor is een maand die beschikbaar was voor de voorbereiding ongebruikt verstreken.
Eiser werkt niet mee aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, maar frustreert het onderzoek niet door het gebruik van aliassen en meerdere nationaliteiten. De rechtbank weegt het belang van eiser bij zijn vrijheid zwaarder na ruim zeven maanden bewaring, zeker gezien het feit dat de IND onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
De rechtbank concludeert dat de voortgezette vrijheidsontneming niet langer redelijk is en in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, Awb. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de bewaring met onmiddellijke ingang opgeheven. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat de gemachtigde van eiser niet is verschenen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vreemdelingenbewaring met onmiddellijke ingang.