ECLI:NL:RBSGR:2004:AO4104
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om verblijfsvergunning op grond van discretionaire bevoegdheid voor uitgeprocedeerde asielzoekers
Verzoekers, een gezin van Joegoslavische nationaliteit, hebben na afwijzing van hun asielaanvraag en het verstrijken van alle rechtsmiddelen een verzoek ingediend om alsnog een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de discretionaire bevoegdheid voor schrijnende gevallen. Dit verzoek werd ondersteund door brieven van derden en de school van de kinderen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de brief van verzoekers als een aanvraag moet worden beschouwd waarop een besluit genomen moet worden. De minister had toegezegd in schrijnende gevallen gebruik te maken van discretionaire bevoegdheid, ook voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Verzoekers hadden echter niet concreet aangegeven op welke beperking in het vreemdelingenbeleid zij zich beroepen.
De rechtbank stelt vast dat het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk is omdat de brief niet voldoet aan de vereisten voor een aanvraag. De brief van de minister van 31 oktober 2003 geldt als een besluit tot afwijzing. De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, maar veroordeelt de minister wel tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van een duidelijke aanvraag en motivering bij verzoeken op grond van discretionaire bevoegdheid en bevestigt dat de minister niet verplicht is om in alle gevallen een verblijfsvergunning te verlenen, ook niet bij schrijnende omstandigheden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.