ECLI:NL:RVS:2004:AO1836
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning wegens onterecht ontbreken aanvraag
Appellante diende op 12 augustus 2003 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen op grond van artikel 30, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad oordeelde dat het eerdere verzoek van 30 juni 2003, aangeduid als een 14-1-brief, geen aanvraag was maar een verzoek om afwijking van beleidsregels. Dit verzoek kwalificeert niet als een aanvraag in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor was de afwijzing van de aanvraag op die grond onterecht.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister en verklaarde het beroep gegrond. De minister werd opgedragen opnieuw op de aanvraag te beslissen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de afwijzing van de verblijfsvergunning vernietigd en de minister opgedragen opnieuw te beslissen.