ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6667

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
2 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/46668
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, tweede lid, onder b, Vw 2000Art. 55 Vw 2000Art. 8:72, derde lid, AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvraag verblijfsvergunning asiel ten onrechte buiten behandeling gesteld

Eiseres, van Angolese nationaliteit, diende op 16 februari 2001 een aanvraag in om toelating als vluchteling. Na inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 werd deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling omdat eiseres niet aan haar meldingsplicht had voldaan en niet was verschenen op een vordering van de Vreemdelingendienst.

De rechtbank constateert dat op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 een aanvraag niet buiten behandeling kan worden gesteld, maar dat de omstandigheid dat de vreemdeling zonder geldige reden niet heeft voldaan aan aanwijzingen bij de beoordeling moet worden betrokken. Dit artikel vormt geen zelfstandige afwijzingsgrond, maar kan alleen in combinatie met andere gronden leiden tot afwijzing.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld en dat het beleid in paragraaf C3/10.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 hiermee in strijd is. Het beroep van eiseres wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Gelet op de omstandigheden acht de rechtbank toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb passend, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit om de aanvraag buiten behandeling te stellen.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Zitting houdende te Zutphen
Registratienummer: Awb 02/46668
Datum uitspraak: 27 januari 2004
UITSPRAAK
op het beroep in het geschil tussen:
A (mede namens haar minderjarige zoon B)
geboortedatum [...] 1973,
van Angolese nationaliteit,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.J. Verwers, advocaat te Wageningen,
en
DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,
(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie)
verweerder,
gemachtigde: mr. F.W.A. Croonen, werkzaam bij de IND.
1. Procesverloop
Op 16 februari 2001 heeft eiseres een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Na inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is deze aanvraag door verweerder aangemerkt als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Bij besluit van 21 mei 2002 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij brief van 18 juni 2002 beroep ingesteld.
Het beroep is behandeld ter zitting van 9 december 2003, waar de gemachtigde van verweerder is verschenen, evenals de gemachtigde van eiseres.
2. Motivering
2.1 Sinds 23 januari 2002 heeft eiseres niet meer aan haar wekelijkse meldingsplicht voldaan, zo blijkt onder meer uit het formulier M100 dat is opgemaakt door de korpschef van de Regiopolitie Friesland. Op 1 februari 2002 heeft de korpschef van de Regiopolitie Friesland eiseres gevorderd op 6 februari 2002 te verschijnen aan het loket van de Vreemdelingendienst Friesland te Heeg, aan welke vordering zij geen gehoor heeft gegeven. Verweerder heeft uit informatie van de Vreemdelingendienst en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers te Rijsbergen opgemaakt dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken en op grond daarvan, gelet op het bepaalde in paragraaf C3/10.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), de aanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld.
2.2 De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard dat hij reeds meerdere maanden geen contact meer met haar heeft en toegelicht dat hij bij aanvang van zijn werkzaamheden door haar bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het voeren van alle nodige procedures, de onderhavige inbegrepen.
2.3 De rechtbank constateert dat het systeem van de Vw 2000 met zich brengt dat een aanvraag als de onderhavige niet buiten behandeling kan worden gesteld. In artikel 31, tweede lid, onder b van de Vw 2000 wordt bepaald dat de omstandigheid dat de vreemdeling zonder geldige reden niet heeft voldaan aan de aanwijzingen, bedoeld in artikel 55 Vw Pro 2000, mede bij het onderzoek naar de aanvraag wordt betrokken. Nu verweerder zich blijkens het gestelde in het verweerschrift op het standpunt stelt, dat de situatie, als bedoeld in laatstvermeld artikel zich thans voordoet, had verweerder de aanvraag inhoudelijk dienen te beoordelen en kan van buitenbehandelingstelling geen sprake zijn. De rechtbank merkt daarbij nog op dat het bepaalde in artikel 31, tweede lid, onder b Vw 2000 geen zelfstandige afwijzingsgrond vormt, maar slechts in combinatie met een andere tot afwijzing kan leiden, hetgeen eveneens een inhoudelijke beoordeling impliceert. Ten slotte stelt de rechtbank vast, dat in de parlementaire geschiedenis bij de Vw 2000 geen aanknopingspunten te vinden zijn voor de beslissing van verweerder.
2.4 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de aanvraag van eiseres ten onrechte buiten behandeling gesteld. Door paragraaf C 3110.13 van de Vc 2000 aldus toe te passen, beslist verweerder in strijd met het systeem van de Vw 2000. Voormelde paragraaf dient derhalve buiten toepassing te blijven. Het beroep van eiseres is gegrond; het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
2.5 De rechtbank acht evenwel termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu uit de in rechtsoverweging 2.1 geschetste omstandigheden blijkt dat eiseres kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk gezochte bescherming en bij terugverwijzing van de zaak naar verweerder rechtens nog slechts één beslissing mogelijk is, namelijk afwijzing van de aanvraag.
2.6 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
3. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-- te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank Zutphen door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van Arrondissement DS 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.
Aldus gegeven door mr. A.J. Weerkamp-Beens en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2004 in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Oostveen-Out als griffier.
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw Pro 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak dient te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb is niet van toepassing.
Afschrift verzonden op:4 februari 2004