ECLI:NL:RBSGR:2004:AO6667
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aanvraag verblijfsvergunning asiel ten onrechte buiten behandeling gesteld
Eiseres, van Angolese nationaliteit, diende op 16 februari 2001 een aanvraag in om toelating als vluchteling. Na inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 werd deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling omdat eiseres niet aan haar meldingsplicht had voldaan en niet was verschenen op een vordering van de Vreemdelingendienst.
De rechtbank constateert dat op grond van artikel 31, tweede lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 een aanvraag niet buiten behandeling kan worden gesteld, maar dat de omstandigheid dat de vreemdeling zonder geldige reden niet heeft voldaan aan aanwijzingen bij de beoordeling moet worden betrokken. Dit artikel vormt geen zelfstandige afwijzingsgrond, maar kan alleen in combinatie met andere gronden leiden tot afwijzing.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld en dat het beleid in paragraaf C3/10.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 hiermee in strijd is. Het beroep van eiseres wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Gelet op de omstandigheden acht de rechtbank toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb passend, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit om de aanvraag buiten behandeling te stellen.