ECLI:NL:RBSGR:2004:AP0377
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van ambtsmisbruik en valsheid in visumaanvragen
Verdachte was werkzaam als Hoofd Algemene en Consulaire Zaken op de Nederlandse ambassade te Peking en werd beschuldigd van ernstig plichtsverzuim en het aannemen van giften en beloften van de Chinese staatsreisorganisatie CITS om visumaanvragen te faciliteren. Tijdens een diner met CITS-vertegenwoordigers werd verdachte een tas met visumaanvragen getoond, waaronder die van zijn vriendin, die op verzoek van verdachte op een groepsreislijst was geplaatst. Verdachte handelde in strijd met de regelgeving door visumaanvragen niet voor te leggen aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken en door onvolledige en onjuiste aanvragen goed te keuren.
De politierechter oordeelde echter dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte wist dat de giften en beloften bedoeld waren om zijn medewerking te verkrijgen. Ook werd vastgesteld dat verdachte bevoegd was tot het verlengen van het visum van zijn vriendin, waardoor geen sprake was van strafbare valsheid. Ondanks procedurele tekortkomingen en plichtsverzuim werd verdachte vrijgesproken omdat het vereiste opzet of wetenschap ontbrak.
De rechtbank benadrukte dat strafrechtelijke bepalingen restrictief moeten worden uitgelegd en dat interne procedurefouten niet automatisch leiden tot strafbaarheid. De afwezigheid van verklaringen van CITS-functionarissen en onduidelijkheid over motieven droegen bij aan het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Verdachte werd vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van opzet bij ambtsmisbruik en valsheid in visumverlenging.