ECLI:NL:RBSGR:2004:AP1248
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewaring vreemdelinge wegens onttrekkingsgevaar bij gebruik vals paspoort
De vreemdelinge werd staande gehouden op verdenking van illegale uitreis met een vals paspoort en vervolgens in bewaring gesteld wegens het vermoeden van onttrekking aan uitzetting. De rechtbank oordeelt dat het onttrekkingsgevaar niet op het moment van staandehouding, maar bij de beslissing over de vreemdelingenrechtelijke bewaring moet worden beoordeeld.
De maatregel is gebaseerd op het belang van de openbare orde, gezien het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs, het niet aanmelden bij de korpschef, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, de verdenking van het plegen van een misdrijf en het gebruik van valse documenten. Deze omstandigheden vormen volgens vaste rechtspraak een ernstig vermoeden van onttrekking aan uitzetting.
De rechtbank verwerpt het betoog van de vreemdelinge dat in haar situatie geen onttrekkingsgevaar bestaat en dat de overheid inconsistent handelt door zelf Somaliërs met valse papieren uit te zetten. De rechtbank stelt dat bestuursrechtelijke uitzetting en strafrechtelijke staandehouding verschillende procedures betreffen.
Er is voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede doordat een aanvraag voor een laissez-passer is ingediend. De rechtbank concludeert dat de bewaring rechtmatig is opgelegd en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van bewaring wegens onttrekkingsgevaar wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.