ECLI:NL:RBSGR:2004:AQ4466

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
09-004051/03
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Elkerbout
  • Joele
  • Van den Boom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 Opiumwet (oud)Art. 10 Opiumwet (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor import van grote hoeveelheid cocaïne via bananencontainers

De rechtbank 's-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar wegens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Verdachte speelde een belangrijke rol door zijn bedrijf beschikbaar te stellen voor de import van bananen die als deklading voor ongeveer 3065 kilo cocaïne werden gebruikt.

Het bewijs bestond onder meer uit verklaringen van medeverdachten, diverse tapgesprekken waarin verdachte betrokken was, en een faxbericht dat verdachte informeerde over aankomende containers. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte al vóór het importeren van bananen wist dat zich cocaïne in minstens één container bevond.

Hoewel verdachte niet als initiatiefnemer werd gezien, nam hij op voorstel van medeverdachten deel aan het feit met het oog op eigen financieel gewin. Verdachte was eerder met justitie in aanraking geweest wegens overtreding van de Opiumwet, wat meewoog in de strafoplegging.

De rechtbank vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en hield rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoonlijke situatie van verdachte. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.

De uitspraak werd gedaan na meerdere zittingen en in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van import van circa 3065 kilo cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(VERKORT VONNIS)
parketnummer 09-004051/03
's-Gravenhage, 21 juli 2004
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
C. S.,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),
wonende te [adres],
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Huis van Bewaring Zoetermeer, te Zoetermeer.
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 en 11 maart 2004, alsmede 5 en 7 juli 2004.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr Hollenberg, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.
De officier van justitie mr De Vries heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De telastlegging.
Aan de verdachte is telastgelegd - na nadere omschrijving van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1.
De bewijsmiddelen.
P.M.
Bewijsoverweging.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het primair telastgelegde feit als volgt.
Mede op grond van de verklaring van verdachte staat vast dat verdachte op 18 of 19 juni 2002 de afhandelings- en vrachtkosten voor de container, waarin later ongeveer 3065 kilo cocaïne is aangetroffen, bij [bedrijf] te Antwerpen heeft betaald.
Op grond van onder andere
- de verklaring van de medeverdachte C.H.J. (P. wist vanaf het eerste moment dat het om de invoer van verdovende middelen ging);
- het tapgesprek tussen medeverdachten K. M. en D. J. d.d. 24 juni 2002 te 12.41 uur, waarin K. M. zegt dat verdachte al heel lang over deze dingen heeft geweten;
- de tapgesprekken tussen verdachte en de medeverdachte D. J. d.d. 28 juni 2002 te 13.06 uur (op een van die dingen is het er waarop wij problemen kunnen krijgen dat is wat hij zei over smokkel) en d.d. 1 juli 2002 te 10.01 uur (P. zegt dat van vier containers niet heeft betaald, met deze container is het de vijfde wat niet betaald);
- het tapgesprek d.d. 28 juni 2002 te 14.32 uur tussen D.J. en nn man (P. zei dat hij de bananen gratis kreeg, 1000 dozen banen per week voor niets);
- het tapgesprek tussen verdachte en medeverdachte C.H. J. d.d. 26 juli 2002 om 21.05 uur, waarin verdachte zegt dat hij wel het een en ander aan D.J. moest vertellen en C.H. J. zegt dat er een verrader in het spel en dat verdachte moet volhouden dat hij nergens wat van af weet,
in samenhang met het feit dat:
- verdachte plotseling, zonder kennis van zaken, op voorspraak van C.H. J. en K. M. forse hoeveelheden bananen is gaan importeren;
- verdachte op 13 juni 2002 middels een faxbericht door [bedrijf] op de hoogte is gesteld van het feit dat in de daaropvolgende week een container bestemd voor [bedrijf 2] en een container bestemd voor [bedrijf 3] zouden aankomen,
is de rechtbank van oordeel dat verdachte al voordat hij bananen is gaan importeren wist dat zich in (tenminste) één van de bananencontainers cocaïne zou bevinden. Dat verdachte mogelijk niet wist dat zich in de onderhavige container cocaïne bevond, staat aan bewezenverklaring niet in de weg.
De bewezenverklaring.
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding primair telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.
De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.
Strafmotivering.
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten een zeer grote hoeveelheid cocaïne (ongeveer 3065 kilo) in Nederland gebracht. Verdachte heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld door het feitelijk door hem geleide bedrijf beschikbaar te stellen voor de import van bananen, die als deklading voor de cocaïne werden gebruikt.
De rechtbank beschouwt verdachte niet als initiatiefnemer van het feit maar hij heeft, kennelijk met het oog op eigen geldelijk gewin, op voorstel van zijn medeverdachten aan het feit deelgenomen.
De rechtbank rekent dit verdachte zeer ernstig aan.
Cocaïne is een stof waarvan niet alleen het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid, maar welke ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een dergelijke stof dient dan ook streng te worden bestraft.
Verdachte is, blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, eerder wegens overtreding van de Opiumwet met justitie in aanraking geweest. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden zich thans wederom aan een dergelijk strafbaar feit schuldig te maken.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
De toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I.
Beslissing.
De rechtbank,
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding primair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van primair:
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren;
bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
in verzekering gesteld op : 8 juli 2003,
in voorlopige hechtenis gesteld op : 11 juli 2003;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mrs Elkerbout, voorzitter,
Joele en Van den Boom, rechters,
in tegenwoordigheid van Rietbroek, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2004.