ECLI:NL:RBSGR:2004:AR4735
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens onrechtmatige voortzetting na aanvraag nationaliteitsvaststelling
Eiseres werd op 11 augustus 2004 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Na een eerdere ongegrondverklaring van beroep tegen deze bewaring, stelde eiseres op 8 september 2004 beroep in tegen de voortzetting van de bewaring en vorderde tevens schadevergoeding.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor vaststelling van de Nederlandse nationaliteit, waardoor de grondslag van de bewaring gewijzigd had moeten worden. Deze categoriewijziging bleef echter uit, waardoor de voortzetting van de bewaring onrechtmatig werd geacht. De rechtbank overwoog dat de belangen van de overheid niet in redelijke verhouding stonden tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen, vooral omdat reeds meer dan drie weken waren verstreken sinds de aanvraag.
De verdenking tegen eiseres van strafbare gebruikmaking van het paspoort van haar moeder maakte dit niet anders. De rechtbank oordeelde dat de bewaring in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 3:4, tweede lid, Awb, en beval de opheffing van de bewaring. Tevens werd aan eiseres een schadevergoeding toegekend van €1.470,- voor de onrechtmatige bewaring en werden de proceskosten van €644,- aan haar toegekend.
Uitkomst: De bewaring van eiseres wordt opgeheven wegens onrechtmatige voortzetting na aanvraag tot vaststelling van het Nederlanderschap en zij ontvangt een schadevergoeding.