ECLI:NL:RBSGR:2004:AS3564
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Verantwoordelijkheid Nederland voor asielaanvragen na verstreken overdrachtstermijn aan Duitsland
Verzoekers, van Joegoslavische nationaliteit, dienden in november 2003 asielaanvragen in Nederland in. Duitsland aanvaardde op 15 maart 2004 het terugnameverzoek op grond van de Dublinverordening 343/2003, die bepaalt dat een asielzoeker binnen zes maanden aan de verantwoordelijke lidstaat moet worden overgedragen.
De overdracht vond echter niet plaats binnen deze termijn, mede doordat de voorzieningenrechter op 26 augustus 2004 bepaalde dat verzoekers niet uit Nederland mochten worden verwijderd totdat op het verzoek om voorlopige voorziening was beslist. Hierdoor werd de overdracht illusoir en woog het belang van verzoekers om in Nederland te blijven zwaarder dan het belang van verweerder om hen aan Duitsland over te dragen.
De rechtbank oordeelde dat de termijn van zes maanden na aanvaarding van het terugnameverzoek was verstreken zonder overdracht, waardoor op grond van artikel 20, tweede lid, van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvragen bij Nederland berust. Het beroep van verzoekers werd gegrond verklaard, de bestreden beschikkingen vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Nederland is verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvragen omdat de zesmaandentermijn voor overdracht aan Duitsland is verstreken zonder overdracht.