ECLI:NL:RBSGR:2005:AT2912

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/47553
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:84 AwbArt. 8:81 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:2 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting ongewenst verklaarde vreemdeling

Verzoeker, een staatloze vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd omdat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kon vertrekken. Deze aanvraag werd afgewezen en het bezwaar daartegen werd ongegrond verklaard. Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.

De voorzieningenrechter overwoog dat de ongewenstverklaring van verzoeker onherroepelijk is en formele rechtskracht bezit. Hierdoor heeft verzoeker geen rechtmatig verblijf in Nederland en is verweerder bevoegd tot uitzetting. De voorlopige voorziening kan de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring niet schorsen, omdat verzoeker geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring.

Verder is het verzoek niet gericht tegen een daadwerkelijke uitzettingshandeling, en zolang de ongewenstverklaring formele rechtskracht heeft, staat dit dwingend verlening van een verblijfsvergunning in de weg. Daarom heeft verzoeker geen procesbelang bij het verzoek en wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:84 Algemene Pro wet bestuursrecht
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 04/47553 BEPTDN
Inzake : [A] , verzoeker, V-nummer [V-nummer] , woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, drs. F.W. King, rechtskundig adviseur te Leiden,
tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag.
I. PROCESVERLOOP
1. Verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1973, stelt staatloos te zijn. Hij verblijft als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland. Bij schrijven van 3 september 2003 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw 2000) met als doel ‘vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Op 19 mei 2004 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend wegens het niet tijdig beslissen door verweerder. Bij besluit van 8 juni 2004 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag. Op grond van artikel 6:20, vierde lid, Awb is het bezwaarschrift van 19 mei 2004 mede gericht tegen het besluit van 8 juni 2004. Bij beslissing van 16 december 2004, verzonden op 21 december 2004, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij schrijven van 31 december 2004 heeft verzoeker tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Dit beroep is alhier geregistreerd onder nummer AWB 05/89 BEPTDN.
2. Bij schrijven van 28 oktober 2004 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist. Nu na het indienen van het verzoek en voordat de zitting heeft plaatsgevonden reeds beslist is op het bezwaar wordt het verzoek tot voorlopige voorziening hangende bezwaar op grond van artikel 8:81 vijfde Pro lid, Awb gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 22 februari 2005. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In de belangenafweging speelt een centrale rol het oordeel van de voorzieningenrechter over de vraag of het bestreden besluit de toetsing aan het geschreven en ongeschreven recht kan doorstaan.
2. Verzoeker stelt dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.
3. Verweerder heeft aan de weigering een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen ten grondslag gelegd dat verzoeker bij rechte onaantastbaar besluit van 27 maart 2001 ongewenst is verklaard en dat de ongewenstverklaring ingevolge artikel 67, derde lid, Vw 2000 tot gevolg heeft dat in afwijking van artikel 8 Vw Pro 2000 de ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben.
4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
Uit de ongegrondverklaring van het bezwaar vloeit als rechtsgevolg onder meer voort dat verweerder bevoegd is verzoeker uit te zetten indien hij niet voldoet aan zijn vertrekplicht. Dit rechtsgevolg kan de voorzieningenrechter door het treffen van een voorlopige voorziening schorsen.
In casu is verzoeker echter onherroepelijk ongewenst verklaard. Het daartoe strekkende besluit heeft formele rechtskracht. Op grond van artikel 67, derde lid, Vw 2000 heeft verzoeker derhalve geen rechtmatig verblijf hier ten lande, zodat verweerder bevoegd is verzoeker uit te zetten. Het besluit tot ongewenstverklaring staat in de onderhavige procedure direct noch indirect ter toets, maar moet integendeel in het kader van deze procedure als rechtens onaantastbaar worden beschouwd. Dit zou anders liggen als verzoeker een verzoek zou hebben gedaan tot opheffing van de ongewenstverklaring en zijn verzoek om voorlopige voorziening (mede) connex zou zijn aan een rechtsmiddel ten gronde tegen een negatieve beslissing daarop. Weliswaar stelt verzoeker een dergelijk verzoek te hebben gedaan, maar daarop is nog niet beslist – verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen verzoek voor ligt – en in ieder geval is er geen rechtsmiddel door verzoeker ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek hetzij een weigering van verweerder daarop te beslissen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, respectievelijk a, van de Awb. Daarom valt de eventuele opheffing van de ongewenstverklaring thans buiten dit geding.
Uit de artikelen 1:3, 8:1 en 8:81 van de Awb in onderling samenhang volgt dat de voorzieningenrechter geen voorziening kan treffen die verder strekt dan de rechtsgevolgen van het besluit waartegen het rechtsmiddel, waaraan het verzoek connex is, is gericht. Een voorlopige voorziening in de voorliggende procedure kan derhalve de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring, en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid van verweerder om verzoeker uit te zetten uit Nederland, op geen enkele manier treffen.
Dat betekent dat verzoeker onverkort uitzetbaar is, ook als de voorzieningenrechter in deze procedure de rechtsgevolgen van het in deze procedure bestreden besluit bij wege van een voorlopige voorziening zou schorsen. Dit brengt met zich mee dat verzoeker met de onderhavige procedure niet kan bereiken hetgeen hij vordert, namelijk voorkomen dat hij zal worden uitgezet, en verzoeker derhalve geen procesbelang heeft bij het voorliggende verzoek, zodat dit verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. Wellicht ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat een en ander onverlet laat dat verzoeker een rechtsmiddel en daaraan connex een verzoek om voorlopige voorziening kan instellen tegen een daadwerkelijke uitzettingshandeling van verweerder, op grond van artikel 72, derde lid, Vw 2000. Het onderhavige verzoek kan niet worden opgevat als daartegen gericht, reeds omdat verweerder nog geen uitzettingshandeling jegens verzoeker heeft ondernomen, en daartegen ook nog geen rechtsmiddel is ingesteld. Het onderhavige verzoek kan daarom niet als mede gericht tegen de uitzetting als zodanig worden opgevat.
Eveneens ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat zolang de ongewenstverklaring formele rechtskracht heeft artikel 67, derde lid, Vw 2000 dwingend aan verlening van welke verblijfsvergunning dan ook in de weg staat, zodat het verzoek ook daarom niet voor inwilliging in aanmerking zou kunnen komen. Een aanvraag voor een verblijfsvergunning kan pas tot een voor verzoeker positief resultaat leiden indien de ongewenstverklaring wordt opgeheven. De door verzoeker aangevoerde inhoudelijke argumenten, die overigens alle reeds zijn betrokken bij de toetsing door deze rechtbank van het besluit tot ongewenstverklaring, kunnen in het kader van een dergelijke procedure aan de orde komen.
6. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
IV. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Aldus gedaan door mr. J.L. Verbeek en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2005, in tegenwoordigheid van drs. F.J.M. van den Berg als griffier.
afschrift verzonden op: