ECLI:NL:RBSGR:2005:AT7509
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Chr.A.J.F.M. Hensen
- H.P.M. Meskers
- A.C. Zuidema
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens overschrijding redelijke termijn in belastingfraudezaak
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde een strafzaak tegen verdachte wegens het doen van opzettelijk onjuiste aangiften inkomsten- en vermogensbelasting. De kern van het geschil betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De redelijke termijn werd vastgesteld te zijn aangevangen op het moment van het eerste en enige verhoor van verdachte door de FIOD-ECD op 5 november 2001.
De rechtbank constateerde dat de termijn van twee jaar ruimschoots was overschreden, mede doordat het openbaar ministerie na een onderzoek begin 2003 de zaak stil had laten liggen zonder verdachte te informeren. Daarnaast ontbraken belangrijke stukken in het dossier, die pas vlak voor de zitting werden aangeleverd. De verdachte verkeerde daardoor ruim drie jaar in onzekerheid over de afloop van de zaak.
Gezien de grote vertraging, het ontbreken van mededelingen en de leeftijd van verdachte (70 jaar), oordeelde de rechtbank dat sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigden. Het belang van verdachte bij beëindiging van de vervolging woog zwaarder dan het belang van de gemeenschap bij berechting.
Daarom werd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat andere sancties zoals strafvermindering onvoldoende passend werden geacht. Een oordeel over het door het openbaar ministerie opgewekte vertrouwen werd achterwege gelaten.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.