ECLI:NL:RBSGR:2005:AT9575
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring
Verzoeker, een Turkse nationaliteit bezittende vreemdeling, is sinds 1988 in Nederland en kreeg in 2001 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Na veroordelingen wegens ernstige wapendelicten is zijn verblijfsvergunning ingetrokken en is hij ongewenst verklaard. Verzoeker stelde dat het besluit in strijd is met zijn recht op gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De voorzieningenrechter overwoog dat het belang van de minderjarige kinderen bij het gezinsleven met hun vader onder artikel 3 IVRK Pro valt, maar dat deze bepaling geen verdergaande bescherming biedt dan artikel 8 EVRM Pro. De rechter concludeerde dat de inmenging in het gezinsleven gerechtvaardigd is vanwege de ernst van de gepleegde misdrijven, de korte duur van het rechtmatig verblijf en het algemene belang van openbare orde.
Verder werd vastgesteld dat verzoekers gezin pas na zijn eerste veroordeling de Nederlandse nationaliteit verkreeg en dat er geen objectieve belemmeringen zijn voor het gezinsleven buiten Nederland, met name in Turkije. De belangenafweging door verweerder was zorgvuldig en volledig. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wordt afgewezen.