ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1042
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Verlening verblijfsvergunning asiel wegens reëel risico op schending artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Sri Lanka
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van een Srilankaanse asielzoeker die in 2001 een aanvraag deed voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder was vastgesteld dat de littekens van eiser duiden op deelname aan gevechtshandelingen, wat een risicofactor vormt voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Verweerder had de aanvraag in 2004 opnieuw afgewezen, stellende dat de situatie in Sri Lanka was verbeterd en geen reëel risico meer bestond.
De rechtbank oordeelde dat verweerder gebonden is aan eerdere onaantastbare uitspraken waarin werd vastgesteld dat eiser bij terugkeer in 2001 een reëel risico liep op onmenselijke behandeling. Verweerder had geen bijzondere omstandigheden aangevoerd om hiervan af te wijken. De rechtbank stelde vast dat de aanvraag van eiser op 26 juni 2001 aan alle voorwaarden voldeed en dat hem per die datum een verblijfsvergunning asiel moet worden verleend.
Hoewel verweerder stelde dat de huidige situatie in Sri Lanka verbeterd is, leidde dit niet tot afwijzing van het beroep. De rechtbank wees het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat de hoofdzaak reeds was beslist. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van zowel de hoofdzaak als de voorlopige voorziening.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de verlening van een verblijfsvergunning asiel met ingang van 26 juni 2001 wegens reëel risico op schending artikel 3 EVRM.