ECLI:NL:RBSGR:2005:AU1477
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid vreemdelingenbewaring wegens niet-onverwijlde kennisgeving consulaat Dominicaanse Republiek
De vreemdelinge werd op 3 juli 2005 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf, identiteitsbewijs en vermoedens van strafbare feiten. Zij stelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat het consulaat van de Dominicaanse Republiek niet onverwijld op de hoogte was gesteld, zoals vereist door artikel 36 van Pro het Weens Verdrag inzake consulaire betrekkingen.
De rechtbank stelde vast dat de kennisgeving aan het consulaat pas op 13 juli 2005 plaatsvond, tien dagen na de inbewaringstelling, en dat dit niet voldeed aan de verplichting tot onverwijlde kennisgeving. Dit was in strijd met artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 5.4 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Verweerder kon niet aantonen dat eerder contact was geweest.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat de belangen van de vreemdelinge niet onevenredig waren geschaad, omdat verweerder binnen veertien dagen een laissez-passeraanvraag had ingediend en de uitzetting op 28 juli 2005 had plaatsgevonden. De bewaring was gerechtvaardigd gezien het ontbreken van verblijfspapieren en het risico op ontduiking van uitzetting. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.