ECLI:NL:RBSGR:2008:BF2116
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring ondanks niet wijzen op consulaire bijstand
Eiser, een Turkse onderdaan, werd op 30 juli 2008 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat hij ten onrechte niet was gewezen op zijn recht op consulaire bijstand, wat volgens hem een fundamenteel recht is dat een eerlijk proces waarborgt. De rechtbank erkende dat eiser niet op dit recht was gewezen, maar stelde vast dat deze schending niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring.
De rechtbank voerde een belangenafweging uit waarbij werd gekeken naar de ernst van het gebrek en de belangen die met de bewaring gediend worden. Verweerder stelde dat de bewaring noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan uitzetting zou onttrekken, gezien zijn criminele antecedenten en het ontbreken van een vaste verblijfplaats. De rechtbank vond dat deze belangen in redelijke verhouding stonden tot het gebrek.
Verder bleek uit het dossier dat de uitzetting van eiser voortvarend werd voorbereid, onder meer door het starten van een Dublin-claim en het voeren van een vertrekgesprek. Ook werd gewezen op het feit dat eiser werd bijgestaan door een gemachtigde die hem op het recht op consulaire bijstand had kunnen wijzen. De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet in strijd was met de wet en wees het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.