ECLI:NL:RBSGR:2005:AU2900
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden
Eiseres, een burger van de Unie van Servië en Montenegro, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), waarbij zij tevens een beroep deed op de inherente afwijkingsbevoegdheid van de minister in schrijnende gevallen. Na eerdere afwijzingen en een gegrond verklaard beroep door de rechtbank, diende verweerder een nieuw besluit te nemen. Eiseres stelde dat haar gezinssituatie en de omstandigheden van haar kinderen bijzondere humanitaire redenen vormden om niet terug te keren naar het land van herkomst.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen verblijfsvergunning had verleend omdat de door eiseres aangevoerde humanitaire redenen niet direct verband hielden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst en niet binnen het traumabeleid vielen. Tevens werd geoordeeld dat verweerder terecht van het horen van eiseres had afgezien omdat de bezwaren ongegrond waren. De brief van 29 december 2003, waarin eiseres een beroep deed op de inherente afwijkingsbevoegdheid, was volgens de rechtbank onvoldoende en te beperkt getoetst door verweerder.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking had op deze brief en stuurde het door als bezwaarschrift. Voor het overige werd het beroep ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten toegewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op de aanvraag op grond van schrijnende omstandigheden en doorverwezen als bezwaarschrift; het overige beroep is ongegrond verklaard.