ECLI:NL:RBSGR:2005:AU5608
Rechtbank 's-Gravenhage
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet-tijdig beslissen in asielprocedure
Opposant diende op 8 augustus 2004 een herhaalde aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, die op 11 augustus 2004 werd afgewezen. Tegen dit besluit werd beroep ingesteld en bij uitspraak van 31 augustus 2004 werd het besluit vernietigd wegens een motiveringsgebrek, waarna verweerder werd opgedragen opnieuw te beslissen.
Op 3 december 2004 werd beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing, maar dit werd op 14 januari 2005 niet-ontvankelijk verklaard omdat de rechtbank oordeelde dat de beslistermijn van zes maanden volgens artikel 42, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 nog niet was verstreken. Opposant maakte bezwaar tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en stelde dat de beslistermijn korter moest zijn vanwege het belang van spoed in zijn asielprocedure en de interne termijn van drie maanden die verweerder hanteert.
De rechtbank overwoog dat er geen eenduidige wettelijke beslistermijn bestaat voor hernieuwde beslissingen na vernietiging door de rechter en dat aansluiting bij de zes maanden termijn uit artikel 42 Vw Pro 2000 niet zonder meer evident is. Gezien het belang van opposant en de gehanteerde interne termijn achtte de rechtbank het beroep van 3 december 2004 niet prematuur ingediend en verklaarde het verzet gegrond. Hierdoor vervalt de eerdere uitspraak en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.