ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8661
Rechtbank 's-Gravenhage
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding aan EU-onderdaan
Eiser, een Franse onderdaan en EU-burger, werd tweemaal in vreemdelingenbewaring gesteld: van 3 tot 10 december 2001 en van 27 juli tot 2 augustus 2002. De eerste bewaring werd opgeheven na overlegging van een Franse identiteitskaart op 7 december 2001, waarna eiser als dienstontvanger werd erkend. De rechtbank oordeelde dat de bewaring van 7 tot 10 december 2001 onrechtmatig was omdat eiser toen rechtmatig verbleef als gemeenschapsonderdaan. De periode van 3 tot 7 december 2001 was rechtmatig omdat eiser zijn identiteit toen niet ondubbelzinnig had aangetoond.
De tweede bewaring werd beëindigd met uitzetting naar Frankrijk. De rechtbank stelde vast dat eiser onderdaan was van een EU-lidstaat en dat geen actuele bedreiging van de openbare orde bestond. Volgens jurisprudentie had eiser een vertrektermijn van vier weken moeten krijgen en had hij niet in bewaring mogen worden gesteld. De rechtbank stelde dat de tweede bewaring onrechtmatig was en kende schadevergoeding toe.
De rechtbank legde de nadruk op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, waarin werd bepaald dat het verblijfsrecht van EU-onderdanen niet mag worden betwist op basis van het niet direct kunnen tonen van een identiteitsbewijs, mits de identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig kunnen worden aangetoond met andere middelen. De rechtbank wees schadevergoeding toe van in totaal €855 en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de bewaringen onrechtmatig en kent een schadevergoeding van €855 toe aan eiser.