ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ1880
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring en intrekking verblijfsvergunning Somalische vreemdeling ondanks interim measures EHRM
Eiser, van Somalische afkomst en behorend tot de Reer Hamar bevolkingsgroep, is sinds 1999 in Nederland en heeft een verblijfsvergunning die in 2004 is ingetrokken en hem ongewenst verklaard. Hij werd veroordeeld voor ernstige strafbare feiten, waaronder poging tot doodslag. Eiser betoogde dat de intrekking onterecht is en dat de interim measures van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) die uitzetting tijdelijk belemmeren, in zijn voordeel moeten worden betrokken.
De rechtbank overweegt dat de interim measures slechts een tijdelijke belemmering vormen en losstaan van de beoordeling van de bevoegdheid tot ongewenstverklaring. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser niet zal uitzetten zolang de interim measures gelden. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser persoonlijk een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Somalië, mede omdat hij niet voldoet aan het individualiseringsvereiste.
Eiser voerde aan dat zijn langdurige verblijf in Nederland, het ontbreken van familie en huisvesting in Somalië en zijn samenwoning met een Nederlandse partner meegewogen hadden moeten worden. De rechtbank acht deze omstandigheden niet relevant voor de ex-tunc toetsing van het bestreden besluit. Ook het categoriale beschermingsbeleid voor Somalië leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.