ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2441
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering verblijfsvergunning wegens ontbreken bijzonder individueel geval in vreemdelingenrecht
Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning aan om haar oom en diens gezin te verzorgen, wiens vrouw halfzijdig verlamd is. Na een tijdelijke vergunning voor familiebezoek werd de aanvraag voor een verblijfsvergunning geweigerd door de minister op grond van artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000, omdat het niet ging om een bijzonder individueel geval maar om behoren tot een groep alleenstaande ouders die hulp nodig hebben.
De rechtbank overwoog dat het besluit van de minister niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro of artikel 3 IVRK Pro, aangezien het verblijf van eiseres aanvankelijk tijdelijk was en het gezinsleven niet zodanig was opgebouwd dat een voortzetting verplicht was. De minister heeft beleidsvrijheid om geen uitzondering te maken voor deze categorie, en eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden.
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit juridisch standhoudt en verklaart het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegekend en het vonnis is gewezen door voorzitter mr. O.L.H.W.I. Korte.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een bijzonder individueel geval.