ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2580
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting ondanks ongewenstverklaring op grond van artikel 1(F) VSV
Verzoeker, een Afghaanse nationaliteit, is ongewenst verklaard op grond van artikel 67 Vreemdelingenwet Pro 2000 en kreeg een asielaanvraag afgewezen wegens toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Hoewel verzoeker geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang de ongewenstverklaring geldt, oordeelt de voorzieningenrechter dat verzoeker procesbelang heeft bij het beroep tegen het asielbesluit, omdat anders een effectieve toetsing van een mogelijk artikel 3 EVRM Pro-risico ontbreekt.
De voorzieningenrechter overweegt dat de asielprocedure en de ongewenstverklaring elk een eigen rechtsgang kennen, maar dat de beoordeling van het asielberoep vooraf of gelijktijdig moet plaatsvinden met die van de ongewenstverklaring. De belangenafweging leidt tot het bevriezen van de status quo: een verbod op uitzetting tot de uitspraak in de asielprocedure en schorsing van de strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring.
De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro, maar sluit niet uit dat dit risico niet geheel imaginair is. Gezien de complexiteit en de procedurele aspecten wordt geen prognose gegeven over de uitkomst van de bodemprocedure. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en verzoeker krijgt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank verbiedt de uitzetting van verzoeker tot beslissing op het asielberoep en schorst de strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring.