ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4953
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Schending vertrouwensbeginsel bij toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser, een vreemdeling van Rwandese nationaliteit, vroeg in 1999 asiel aan in Nederland. Na aanvankelijke afwijzing en bezwaar verleende de minister hem in 2004 een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop, gebaseerd op toezeggingen dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet meer tegen hem zou worden gebruikt.
In 2006 wees de minister een nieuw besluit af op grond van artikel 1F, stellende dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt. Eiser betoogde dat hij op grond van eerdere toezeggingen gerechtvaardigd vertrouwen had dat artikel 1F niet meer tegen hem zou worden ingeroepen, omdat er geen nieuwe feiten waren.
De rechtbank stelde vast dat de toezeggingen in december 2003 en de daaropvolgende vergunningverlening een rechtens te honoreren vertrouwen schepten. Het woord "vooralsnog" in de brief werd in de context van de onvoorwaardelijke telefoonnotitie beoordeeld, waardoor geen algemeen voorbehoud bestond.
De verklaringen van eiser tijdens het ambtelijk gehoor in maart 2004 waren niet nieuw en boden geen aanleiding het vertrouwen te doorbreken. Daarom oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit in strijd was met het vertrouwensbeginsel en verklaarde het beroep gegrond. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens schending van het vertrouwensbeginsel.