ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5219
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst en vergoeding bij opvolgend werkgeverschap
De werknemer was sinds 22 augustus 2005 in dienst bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, gekoppeld aan een project bij Shell. Voorafgaand was hij via een andere werkgever bij Shell gedetacheerd. De werkgever verzocht voorwaardelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 31 augustus 2006, omdat het project was beëindigd en Shell de detachering stopzette.
De werknemer stelde dat hij in feite voor onbepaalde tijd in dienst was vanwege opvolgend werkgeverschap en dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege was geëindigd, mede omdat het project vaag was omschreven en zijn werkzaamheden niet daadwerkelijk waren beëindigd. De kantonrechter ging uit van de veronderstelling dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege was geëindigd en beoordeelde het verzoek tot ontbinding.
De kantonrechter oordeelde dat de beëindiging van de detachering door Shell niet ter beoordeling stond, maar dat dit leidde tot het feit dat de werknemer zijn werkzaamheden niet kon voortzetten. Gezien de omstandigheden was ontbinding billijk. De vergoeding werd berekend op basis van de dienstjaren bij de werkgever en niet bij de voorganger, omdat dit anders tot een onbillijke uitkomst zou leiden. De vergoeding werd vastgesteld op € 10.743,84 bruto. De proceskosten werden zo gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden met een vergoeding van € 10.743,84 bruto aan de werknemer.