ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ7196
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging van besluiten over bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning op humanitaire gronden
Eisers hebben in 1999 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Verweerder stelde deze aanvragen aanvankelijk buiten behandeling, waarna de bezwaren tegen deze buitenbehandelingstelling in 2001 gegrond werden verklaard. Vervolgens wees verweerder in 2003 de aanvragen af, waarna eisers bezwaar maakten. Na een hoorzitting in 2005 verklaarde verweerder de bezwaren tegen de afwijzing ongegrond. Eisers stelden beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet op correcte wijze heeft gehandeld door na gegrondverklaring van bezwaren tegen buitenbehandelingstelling, met een apart besluit de aanvragen af te wijzen. Deze besluiten vormen samen één beslissing op bezwaar en mogen niet los van elkaar worden behandeld. De rechtbank kwalificeert de bezwaarschriften tegen deze besluiten als beroepschriften.
Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht de aanvragen afwees op grond van het ontbreken van een geldig reisdocument en het gevaar voor de openbare orde, mede gebaseerd op een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling. De aangevoerde humanitaire gronden en langdurig verblijf in Nederland zijn onvoldoende om tot verlening over te gaan. De rechtbank verklaart de beroepen tegen de besluiten van 2003 ongegrond, maar verklaart de beroepen tegen de besluiten van 2006 gegrond en vernietigt deze omdat verweerder onrechtmatig op bezwaar heeft beslist. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten van 23 januari 2006 en verklaart de beroepen tegen deze besluiten gegrond, terwijl de beroepen tegen de besluiten van 2 juli 2003 ongegrond worden verklaard.