ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0571
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.J. van Leijenhorst
- H. Ollermann
- S.C. Stuldreher
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van rente bij vermenging schuldvordering na overlijden
Eiser was enig erfgenaam van zijn vader en moeder, waarbij een keuzelegaat en een inbrengschuld waren omgezet in een geldlening tussen moeder en eiser. Na het overlijden van de moeder waren schuldenaar en schuldeiser in één persoon verenigd, waardoor vermenging in de zin van artikel 6:161 BW Pro was opgetreden.
Verweerder had de rente over deze schuldvordering als belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag inkomstenbelasting 2002 betrokken. Eiser maakte bezwaar en stelde dat door de vermenging geen sprake was van genieten van inkomen zoals bedoeld in artikel 33 van Pro de Wet IB 1964.
De rechtbank stelde vast dat verrekening en vermenging verschillende civielrechtelijke begrippen zijn en dat de wetgever in artikel 33 Wet Pro IB 1964 geen zelfstandige fiscale betekenis aan verrekening heeft toegekend die ook vermenging omvat. Daarom werd de rente niet als inkomen beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep van eiser gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, verminderde de aanslag en wijzigde de verliesvaststellingsbeschikking. Tevens vernietigde zij de beschikking heffingsrente omdat na verrekening geen bedrag meer verschuldigd was.
De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten en wees de procedurele instructies voor hoger beroep aan.
Uitkomst: De rente over de schuldvordering bij vermenging is niet als belastbaar inkomen uit werk en woning begrepen; aanslag en heffingsrente worden verminderd en vernietigd.