ECLI:NL:RBSGR:2007:BA8005
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing opheffing ongewenstverklaring Somaliër met bijzondere omstandigheden
Eiser, een Somalische vreemdeling met criminele antecedenten, is op 4 augustus 2004 ongewenst verklaard en verzocht op 4 juli 2006 om tijdelijke opheffing van deze verklaring. Verweerder wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar en beroep instelde. De rechtbank toetste het bestreden besluit en concludeerde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom geen bijzondere of dringende omstandigheden bestonden die een opheffing rechtvaardigen.
De rechtbank overwoog dat de termijnen in artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bovengrenzen zijn, en dat persoonlijke belangen van de vreemdeling, zoals het verbod op uitzetting op grond van artikel 3 EVRM Pro en het recht op gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro, kunnen prevaleren. De interim measures van de President van het EHRM, die voorlopige bescherming bieden aan Somaliërs, werden door de rechtbank als relevant erkend.
Verweerder had aangevoerd dat eiser vanwege zijn criminele antecedenten niet in aanmerking kwam voor opheffing en dat de interim measures slechts een voorlopig oordeel betroffen. De rechtbank verwierp dit standpunt en stelde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de opheffing van de ongewenstverklaring wordt vernietigd.