ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9575
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Poustochkine
- De Ruiter
- Glass
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij oorlogsmisdaden en superieure verantwoordelijkheid
De rechtbank in Den Haag behandelde de strafzaak tegen een voormalige officier van de Afghaanse militaire inlichtingendienst, verdacht van betrokkenheid bij marteling en oorlogsmisdaden in de jaren tachtig.
De zaak betrof universele jurisdictie op grond van het Nederlandse oorlogsrecht en het internationaal humanitair recht. De verdachte werd beschuldigd van directe betrokkenheid bij martelingen (medeplegen) en van superieure verantwoordelijkheid voor deze misdrijven.
De rechtbank onderzocht uitgebreid de betrouwbaarheid en legaliteit van getuigenverklaringen, waarbij met name de verklaringen van twee slachtoffers werden getoetst. Door tegenstrijdigheden, onduidelijkheden en gebrek aan ondersteunend bewijs kon niet overtuigend worden vastgesteld dat de verdachte persoonlijk betrokken was bij de gepleegde misdrijven.
Ook werd de positie van de verdachte binnen de commandostructuur van de militaire inlichtingendienst onderzocht. Hoewel hij een hoge rang had en als plaatsvervanger van de directeur fungeerde, kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat hij effectieve controle en gezag had over de afdeling die de martelingen uitvoerde.
Gelet op deze onzekerheden sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten en beëindigde de voorlopige hechtenis.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij oorlogsmisdaden en superieure verantwoordelijkheid.