ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9712

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/26262
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot herziening bestuursrechtelijke uitspraak wegens onredelijke termijn afgewezen

Verzoeker heeft op 16 juni 2007 een verzoek ingediend tot herziening van een uitspraak van 26 oktober 2006, waarin zijn beroep tegen een besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie ongegrond werd verklaard.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek ruim zeven maanden na de uitspraak is ingediend, wat onredelijk laat is. Dit oordeel is gebaseerd op artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verzoeker stelde dat de termijn pas op 22 januari 2007 zou zijn gaan lopen, omdat toen de omstandigheden van het herzieningsverzoek bekend werden, maar ook dit werd als onredelijk laat beoordeeld.

Het belangrijkste nieuwe feit waarop verzoeker zich beroept is een verklaring van de Afghaanse Consul van 1 december 2006, maar verzoeker heeft niet toegelicht waarom het verzoek pas ruim een half jaar later is ingediend.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door rechter A.P. Hameete en griffier C. Groenewegen op 13 juli 2007.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Dordrecht
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
procedurenummer: AWB 07/26262
Uitspraak ex. artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op verzoek van:
inzake
[verzoeker], verzoeker,
gemachtigde: mr. B.D. Lit, advocaat te Amsterdam.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.Bij faxbericht van 16 juni 2007 heeft verzoeker de rechtbank verzocht de uitspraak van 26 oktober 2006 in zaak nr. AWB 06/48822, waarbij het beroep van verzoeker tegen het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 5 oktober 2006 ongegrond is verklaard, te herzien.
1.2. De zaak is op 6 juli 2007 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.
Eiser is ter zitting verschenen bij gemachtigde.
Tevens is verschenen mr. J. Raaijmakers, als gemachtigde van de Staatsecretaris van Justitie als opvolger van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2. Het verzoek is ruim zeven maanden na de uitspraak ingediend. Nu ter zake geen bijzonder omstandigheden zijn gesteld of gebleken, is dat onredelijk laat (zie uitspraak afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 26 juli 2001; LJN AB3091). Voor dit oordeel is aansluiting gezocht bij artikel 6:12, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat een bezwaar of beroep dat niet aan een termijn is gebonden, niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het onredelijk laat is ingediend. Voor zover eiser meent dat de termijn eerst op 22 januari 2007 is gaan lopen, omdat toen de omstandigheden van het herzieningsverzoek bekend zijn geworden, is de rechtbank van oordeel dat zulks nog altijd onredelijk laat is te achten. Immers, dit is ruim vijf maanden nadien.
In deze conclusie is tevens meegewogen dat het novum waarop eiser zich met name beroept een verklaring is van de Afghaanse Consul d.d. 1 december 2006 en eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd waarom pas ongeveer een half jaar later om herziening is gevraagd.
2.4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.
2.5. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.
3. Beslissing
De rechtbank 's-Gravenhage:
- het verzoek is niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, rechter, en door deze en C. Groenewegen, griffier, ondertekend.
De griffier,
De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op: 13 juli 2007
Afschrift verzonden op:
RECHTSMIDDEL
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.
Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.