ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0296
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot ongewenstverklaring bij lopende asielaanvraag en belangenafweging opheffing
De rechtbank 's-Gravenhage heeft geoordeeld dat de Staatssecretaris van Justitie niet bevoegd was om eiser ongewenst te verklaren omdat het afwijzende asielbesluit was ingetrokken en daarmee het rechtmatig verblijf niet was vastgesteld. Hierdoor ontbrak de grondslag voor de ongewenstverklaring.
Eiser had een tweede asielaanvraag ingediend die aanvankelijk was afgewezen, maar later werd ingetrokken. De rechtbank stelde vast dat verweerder zich nog over de asielaanvraag moest beraden en dat het ontbreken van een definitief besluit betekent dat niet kan worden geconcludeerd dat rechtmatig verblijf ontbreekt.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verweerder bij de belangenafweging voor opheffing van de ongewenstverklaring niet voldoende rekening had gehouden met het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en de ernst en aard van het strafbare feit, waardoor het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was.
Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd een voorlopige voorziening toegewezen die uitzetting verbood en de strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring opschortte totdat op bezwaar was beslist.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot handhaving van de ongewenstverklaring is vernietigd en uitzetting van eiser is verboden totdat op bezwaar is beslist.