ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1204
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M. Willink
- I.M. Davids
- S.J. Hoekstra-van Vliet
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid vervoerder voor ernstig letsel door val onder tram en redelijkheid wettelijke limiet
Op 14 juni 2001 raakte eiseres ernstig gewond toen zij bij het in- of uitstappen bekneld raakte tussen de tramdeuren van HTM en ten val kwam, met amputatie van beide onderbenen tot gevolg. HTM erkende aansprakelijkheid op grond van de vervoersovereenkomst en betaalde reeds € 137.000,--, de wettelijke limiet van artikel 8:110 BW Pro.
Eiseres en Azivo stelden dat HTM bewust roekeloos had gehandeld en dat de wettelijke limiet daarom niet van toepassing was. Daarnaast werd een aanvullende aansprakelijkheid op grond van artikel 185 WVW Pro gevorderd. De rechtbank verwierp het verwijt van opzet en bewuste roekeloosheid, oordeelde dat aanvullende aansprakelijkheid op grond van artikel 185 WVW Pro niet aan de orde was vanwege de vervoersovereenkomst, en wees het beroep op vergelijkbare ongevallen af.
De rechtbank overwoog dat de wettelijke limiet sinds 1991 niet was aangepast aan inflatie en dat de schade van eiseres de limiet aanzienlijk oversteeg. Gelet op de bijzondere omstandigheden en de ernst van het letsel werd de limiet naar billijkheid verhoogd tot € 200.000,--. HTM werd veroordeeld tot betaling van een aanvullend bedrag van € 63.000,-- naast het reeds betaalde bedrag, met wettelijke rente vanaf het vonnis. De vorderingen van Azivo en de kosten van het rapport van Qualimax werden afgewezen. HTM werd veroordeeld in de proceskosten ten gunste van eiseres.
Uitkomst: HTM wordt veroordeeld tot betaling van een aanvullend bedrag van € 63.000,-- aan eiseres naast het reeds betaalde bedrag, met wettelijke rente.