ECLI:NL:RBSGR:2007:BB4617
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens niet tijdig horen binnen wettelijke termijn
Eiser werd op 9 september 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld en stelde beroep in tegen deze maatregel. De zitting vond plaats op 18 september 2007, maar eiser was niet aanwezig omdat hij niet naar de rechtbank was vervoerd door een miscommunicatie met de Dienst Vervoer en Ondersteuning. De rechtbank onderzocht of de zaak binnen de termijn van artikel 94, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000, kon worden voortgezet met eiser aanwezig, maar dit bleek logistiek niet mogelijk.
Verweerder stelde dat het horen van de gemachtigde van eiser als aanvang van het horen van eiser zelf kon worden aangemerkt, zodat de zaak buiten de termijn kon worden voortgezet. De rechtbank verwierp dit standpunt omdat eiser niet aanwezig was en de gemachtigde zich uitdrukkelijk verzette tegen behandeling zonder eiser. Jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak werd geraadpleegd en bevestigd dat alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals afwezigheid van een tolk, het horen van de gemachtigde kan gelden als aanvang van het horen van de vreemdeling.
De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig horen van eiser niet aan hem te wijten was en dat de bewaring daarom wegens strijd met artikel 94, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000, moest worden opgeheven. Er waren geen gronden voor schadevergoeding omdat de bewaring werd opgeheven binnen de termijn. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank hief de vreemdelingenbewaring op wegens niet tijdig horen van eiser binnen de wettelijke termijn.