ECLI:NL:RVS:2002:AD9774

Raad van State

Datum uitspraak
10 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105956/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • B. van Wagtendonk
  • M. Vlasblom
  • T.M.A. Claessens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:67 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vreemdelingenbewaring wegens niet tijdig horen appellant

Appellant is op 3 november 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld door de Staatssecretaris van Justitie. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage, die het beroep op 27 november 2001 ongegrond verklaarde. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling heeft de zaak op 10 januari 2002 mondeling behandeld. Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting bleek dat appellant niet binnen de termijn zoals voorgeschreven in artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is gehoord. De eerste persoonlijke hoorzitting vond pas plaats op 20 november 2001, terwijl de wet een eerdere hoorzitting binnen een kortere termijn vereist.

De Afdeling oordeelde dat deze termijnoverschrijding de vreemdelingenbewaring onrechtmatig maakt. Anders dan in eerdere jurisprudentie was er geen sprake van omstandigheden buiten de risicosfeer van appellant die het ontbreken van een eerdere hoorzitting konden rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevolen per 11 januari 2002. Tevens werd de Staat veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdelingenbewaring opgeheven per 11 januari 2002.

Uitspraak

200105956/1
Datum uitspraak: 10 januari 2002 AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK Proces-verbaal van mondelinge uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], geboren 16 maart 1972,
appellant, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, van 27 november 2001 in het geding tussen: appellant en de Staatssecretaris van Justitie. Bij besluit van 3 november 2001 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 27 november 2001, verzonden op 28 november 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant op 5 november 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 7 december 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat te Rotterdam, en de Staatssecretaris van Justitie, vertegenwoordigd door A. van de Burgt, ambtenaar in dienst bij het ministerie, zijn verschenen. Bij mondelinge uitspraak, gedaan op dezelfde datum, heeft de Afdeling: I. het hoger beroep gegrond verklaard; II. de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 27 november 2001, AWB 01/58211 VRWET, vernietigd; III. de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel ingevolge artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 met ingang van 11 januari 2002 te 08.00 uur bevolen; IV. de Staatssecretaris van Justitie veroordeeld in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep bij de rechtbank gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.610,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer). De Afdeling is op basis van de processtukken en het verhandelde ter zitting tot de conclusie gekomen dat de bewaring met ingang van 13 november 2001 in strijd is met artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de rechtbank appellant niet heeft gehoord binnen de termijn, genoemd in de tweede volzin van het tweede lid. Appellant is eerst in persoon gehoord op de zitting van 20 november 2001. Anders dan de situatie die zich voordeed in de zaak, waarover de Afdeling bij uitspraak van 13 juli 2001, no. 200102633/1, heeft geoordeeld, is er in deze zaak geen plaats voor het oordeel dat bij de zitting van de rechtbank van 12 november 2001 een aanvang is gemaakt met het horen, nu appellant ter zitting niet aanwezig was, ten gevolge van omstandigheden die niet in zijn risicosfeer liggen. w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan
Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar, overeenkomstig artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat. 15-385.