ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6778
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op beoordeling verblijfsvergunning ondanks ongewenstverklaring vreemdeling
Eiser, een vreemdeling van Rwandese nationaliteit, werd ongewenst verklaard bij beschikking van 12 juli 2005. Verweerder verklaarde daarop het bezwaar van eiser tegen de weigering van een verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat een ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang de ongewenstverklaring voortduurt.
De rechtbank stelde vast dat de beschikking tot ongewenstverklaring formele rechtskracht heeft gekregen en correct is bekendgemaakt. Echter, de rechtbank oordeelde dat uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet volgt dat het procesbelang voor aanspraken op een verblijfsvergunning tot het moment van ongewenstverklaring vervalt.
De rechtbank overwoog dat eiser met de procedure het resultaat kan bereiken van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot aan de ongewenstverklaring. Dit kan ook leiden tot herbeoordeling en opheffing van de ongewenstverklaring, waardoor verdere verblijfsrechten kunnen ontstaan. Daarom is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren onterecht.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar, zodat de verblijfsrechtelijke aanspraken inhoudelijk beoordeeld moeten worden.