ECLI:NL:RVS:2008:BC6624
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Geen belang bij beoordeling verblijfsvergunning bij voortdurende ongewenstverklaring vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een vreemdeling tegen de weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ontvankelijk had verklaard en het besluit vernietigde.
De vreemdeling was krachtens artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst verklaard, een besluit waartegen geen rechtsmiddelen waren ingesteld en dat in rechte onaantastbaar was geworden. De rechtbank had geoordeeld dat de vreemdeling belang had bij de beoordeling van zijn bezwaar, omdat een positieve beoordeling mogelijk zou leiden tot rechtmatig verblijf en daarmee tot heroverweging van de ongewenstverklaring.
De Raad van State stelt echter dat zolang de ongewenstverklaring voortduurt, de vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan hebben en dus geen belang heeft bij de beoordeling van het bezwaar tegen de weigering van de verblijfsvergunning. De vraag naar rechtmatigheid van het verblijf had in de procedure van de ongewenstverklaring aan de orde kunnen worden gesteld. De rechtbank heeft dit miskend en de uitspraak dient daarom te worden vernietigd.
De Raad van State verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en bevestigt dat de minister terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard omdat hij geen belang heeft bij de beoordeling van het bezwaar zolang de ongewenstverklaring voortduurt.