ECLI:NL:RBSGR:2007:BB7725
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens gebrek aan voortvarendheid bij asielaanvraag
Eiser werd op 16 oktober 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. Direct gaf hij aan asiel te willen aanvragen, maar verweerder stelde hem pas op 5 november 2007 formeel in de gelegenheid daartoe. De rechtbank oordeelde dat verweerder voor de termijnbepaling van artikel 59, vierde lid, Vw 2000 moet uitgaan van het moment waarop eiser zijn asielintentie kenbaar maakte, niet van het moment van daadwerkelijke indiening.
De rechtbank stelde vast dat tussen 16 oktober en 5 november 2007 geen uitzettingshandelingen zijn verricht en ook niet zullen worden verricht. Dit terwijl een maatregel van bewaring een ingrijpende vrijheidsbeneming inhoudt die niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk. Periodiek, binnen twee weken na aanvang, dienen uitzettingsactiviteiten plaats te vinden, tenzij een asielaanvraag is ingediend.
Omdat verweerder de indiening van de asielaanvraag om organisatorische redenen uitstelde en eiser niet binnen twee weken na aanvang van de bewaring in de gelegenheid werd gesteld zijn aanvraag in te dienen, achtte de rechtbank de bewaring onrechtmatig vanaf 31 oktober 2007. De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €70 voor de onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de vreemdelingenbewaring onrechtmatig vanaf 31 oktober 2007 en beveelt onmiddellijke opheffing met toekenning van schadevergoeding.