ECLI:NL:RVS:2007:BC1066
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende voortvarendheid bij uitzettingshandelingen in vreemdelingenbewaring
De zaak betreft de inbewaringstelling van een vreemdeling op 16 oktober 2007 met het oog op uitzetting, waarbij de vreemdeling te kennen gaf een asielaanvraag te willen indienen. De staatssecretaris stelde de overplaatsing naar het Aanmeldcentrum Schiphol (AC Schiphol) uit tot na de zitting bij de rechtbank, uitsluitend om organisatorische redenen.
De rechtbank oordeelde dat deze vertraging leidde tot onvoldoende voortvarendheid bij de uitzettingshandelingen, hetgeen onrechtmatig is. De staatssecretaris voerde in hoger beroep aan dat de AC-procedure binnen drie weken na inbewaringstelling voldoende voortvarend was en dat binnen zes weken op de asielaanvraag zou worden beslist.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris niet zo spoedig als mogelijk met uitzettingshandelingen was begonnen en dat de organisatorische redenen dit niet rechtvaardigden. De vaste gedragslijn van beslissen binnen zes weken ontslaat de staatssecretaris niet van de verplichting tot voortvarende uitzettingshandelingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid betrachtte bij uitzettingshandelingen en verklaart het hoger beroep ongegrond.