ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9735
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- H. Gorter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring wegens onvoldoende toetsing 3 EVRM-risico
Eiser, afkomstig uit Iran en sinds 1993 in Nederland, is in 2005 ongewenst verklaard vanwege eerdere asielprocedures waarin zijn asielrelaas als ongeloofwaardig werd beoordeeld. Hij verzoekt om opheffing van deze verklaring zodat hij een nieuwe asielaanvraag kan indienen op basis van nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder oproepingen van een Iraanse rechtbank die hij toeschrijft aan een wraakactie van zijn schoonfamilie.
De rechtbank beoordeelt dat eiser niet voldoet aan de imperatieve voorwaarden voor opheffing van de ongewenstverklaring en dat verweerder terecht heeft getoetst of bijzondere omstandigheden, waaronder een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro, het algemeen belang kunnen prevaleren. Verweerder heeft echter nagelaten eiser te horen, wat volgens de rechtbank een minimale vereiste is bij een dergelijke beoordeling.
De rechtbank constateert dat het onderzoek van verweerder onvoldoende zorgvuldig is geweest, mede omdat geen nader onderzoek is verricht naar de nieuwe feiten en omstandigheden die eiser aanvoert. Hierdoor is het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tevens is de strafrechtelijke werking van de ongewenstverklaring geschorst, zodat eiser niet vervolgd kan worden voor het strafbare feit van verblijf zonder rechtmatig verblijf zolang de procedure loopt.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht aan eiser wordt vergoed. Verweerder krijgt de opdracht binnen tien weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende zorgvuldig onderzoek, maar de strafrechtelijke gevolgen worden geschorst.