ECLI:NL:RVS:2007:BA5592
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel
Appellant stelde beroep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant reeds ongewenst was verklaard en daardoor geen belang had bij het beroep tegen intrekking van de vergunning.
Appellant voerde aan dat verdragsrechtelijke verplichtingen hem toch ontvankelijk moesten verklaren, met name op grond van schending van de artikelen 3 en 8 EVRM. De Raad van State oordeelde dat appellant deze schendingen in procedures tegen de ongewenstverklaring of de weigering deze op te heffen kan aanvoeren, waar rechtsmiddelen openstaan die rechtsherstel kunnen bieden.
De Raad van State concludeerde dat er geen sprake is van onthouding van een effectief rechtsmiddel en dus geen schending van artikel 13 EVRM Pro. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met verbetering van de motivering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.