ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1902
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Verzoeker, een Afghaanse vluchteling toegelaten in 1996, werd bij besluit van 11 september 2007 zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken en ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege vermoedelijke betrokkenheid bij gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.
Verzoeker betwist deze beschuldiging en wijst op kritiek van diverse partijen, waaronder een brief van de voorzitter van het Afghaanse parlement en een brief van de UNHCR, die fundamentele twijfels uiten over de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000 waarop de beslissing is gebaseerd. Verzoeker vreest bovendien een schending van zijn rechten op grond van artikel 3 en Pro artikel 8 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder zich niet voldoende heeft verdiept in de kritiek op het ambtsbericht en dat er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid ervan. Daarom wordt de werking van de intrekking en ongewenstverklaring geschorst gedurende de bezwaarprocedure en wordt verweerder verboden verzoeker uit te zetten.
Daarnaast worden de proceskosten en het griffierecht aan verzoeker toegekend. De inhoudelijke behandeling van het beroep wordt aangehouden in verband met de samenhang tussen de intrekking en de ongewenstverklaring.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de intrekking van de verblijfsvergunning en ongewenstverklaring worden geschorst gedurende de bezwaarprocedure.