ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2167
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- K. Wentholt
- J.L. Boxum
- E. Läkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongewenstverklaring op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag en belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiser, een Afghaanse vreemdeling, werd ongewenst verklaard op grond van artikel 67 Vreemdelingenwet Pro 2000, omdat hem op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag ernstige mensenrechtenschendingen worden verweten tijdens zijn dienst bij de Afghaanse Staatsveiligheidsdienst. Eerder was zijn asielaanvraag afgewezen en vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank bevestigt dat het ambtsbericht van februari 2000, waarin wordt gesteld dat alle onderofficieren en officieren van de KhAD en WAD betrokken waren bij ernstige mensenrechtenschendingen, als betrouwbaar en objectief mag worden beschouwd. De door eiser aangevoerde nieuwe feiten, waaronder een brief van Qanooni en een UNHCR-rapport, bieden geen concreet aanknopingspunt om dit ambtsbericht te betwijfelen.
Verder oordeelt de rechtbank dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij een significante uitzondering vormt op de veronderstelde betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen. Ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro wegens medische omstandigheden faalt, omdat geen levensbedreigende ziekte is vastgesteld.
Ten aanzien van artikel 8 EVRM Pro overweegt de rechtbank dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, waarbij de persoonlijke en familiale belangen van eiser zijn afgewogen tegen het algemene belang van openbare orde. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het gezinsleven buiten Nederland niet kan worden uitgeoefend of dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die een ongewenstverklaring zouden verbieden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en de verklaring blijft in stand.