ECLI:NL:RBSGR:2008:BC3383
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting alleenstaande minderjarige vreemdeling
Verzoekster, een alleenstaande minderjarige vreemdeling van Angolese nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor verlenging van haar verblijfsvergunning onder de regeling voor vreemdelingen die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. Na afwijzing van haar aanvraag en bezwaar hiertegen, werd zij verwijderbaar verklaard.
Het geschil betrof de uitleg van de voorwaarde dat de vreemdeling na een in rechte onaantastbaar geworden beslissing drie jaar aaneengesloten en verwijderbaar in Nederland moet hebben verbleven. Verweerder stelde dat deze periode pas begon na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 28 juni 2006, terwijl verzoekster uitging van de datum van het besluit op bezwaar van 6 juli 2004.
De voorzieningenrechter oordeelde dat beide interpretaties mogelijk zijn en dat de voorlopige voorzieningenprocedure niet geschikt is om deze principiële vraag te beantwoorden. Gezien de redelijke kans van slagen van het bezwaar en de belangenafweging werd de uitzetting van verzoekster verboden totdat op het bezwaar is beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster.
Uitkomst: De rechtbank verbiedt de uitzetting van verzoekster totdat op het bezwaar tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning is beslist.