ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8314
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ongewenstverklaring wegens onvoldoende motivering inmenging gezinsleven
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, is op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst verklaard vanwege vermeende betrokkenheid bij ernstige misdrijven volgens artikel 1F Vluchtelingenverdrag. De rechtbank bevestigt dat deze grondslag voor ongewenstverklaring toereikend is, mede gelet op het beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000.
Eiser stelde dat zijn ongewenstverklaring en uitzetting in strijd zijn met artikel 3 EVRM Pro vanwege risico op onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Afghanistan, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk. Ook het beroep op artikel 6 EVRM Pro faalt omdat dit artikel niet van toepassing is op vreemdelingenprocedures.
De kern van het geschil betreft de inmenging in het gezinsleven van eiser en zijn Nederlandse echtgenote, beschermd onder artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze inmenging gerechtvaardigd is, met name omdat de ongewenstverklaring niet op de c-grond is gebaseerd en er geen concrete aanwijzingen zijn dat eiser strafbare feiten in Nederland zal plegen.
Verder heeft verweerder niet alle relevante 'guiding principles' uit het arrest Boultif betrokken bij de belangenafweging. De rechtbank vernietigt daarom het besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook rekening dient te worden gehouden met de geboorte van de dochter van eiser en zijn echtgenote.
Tot slot wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en wordt een voorlopige voorziening getroffen die verwijdering van eiser uit Nederland verbiedt tot vier weken na het nieuwe besluit.
Uitkomst: Het besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de inmenging in het gezinsleven en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.