ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8954
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Irak
Eiser, een Iraakse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf en met een strafrechtelijke veroordeling, werd op 17 maart 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij werd ongewenst verklaard en weigerde mee te werken aan zijn terugkeer naar Irak. Verweerder stelde dat er zicht op uitzetting naar Centraal- en Zuid-Irak bestaat, maar de rechtbank constateerde dat in 2007 geen gedwongen uitzettingen naar Centraal-Irak plaatsvonden en dat alleen vrijwillige terugkeer mogelijk is.
De rechtbank overwoog dat vreemdelingenbewaring niet bedoeld is om vrijwillig vertrek af te dwingen, maar om gedwongen uitzetting mogelijk te maken. Omdat eiser niet meewerkt en de Iraakse autoriteiten geen reisdocumenten verstrekken zonder medewerking, ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Hierdoor is de bewaring onrechtmatig.
De rechtbank oordeelde verder dat verweerder weliswaar eerder had moeten starten met verwijderingsactiviteiten, maar dat dit niet tot onrechtmatigheid leidt gezien de belangenafweging en de ongewenstverklaring van eiser. De bewaring werd per direct opgeheven. Hoewel eiser in beginsel recht heeft op schadevergoeding over de bewaringstermijn, matigde de rechtbank deze tot nihil vanwege bijzondere omstandigheden zoals de weigering tot medewerking.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van €805 en wees de Staat aan als schuldenaar van deze kosten. De uitspraak werd gedaan door rechter H. Benek op 2 april 2008.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn.