ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1454
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op uitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf vreemdelingen
Eisers, minderjarige vreemdelingen afkomstig uit Syrië, vorderden een uitkering op grond van de Regeling verstrekkingen aan bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) over juli 2007. Verweerder wees deze verzoeken af omdat eisers geen rechtmatig verblijf hadden, aangezien hun herhaalde asielaanvragen en de ambtshalve weigering van een reguliere verblijfsvergunning ongegrond waren verklaard en deze besluiten geen schorsende werking hadden.
De rechtbank overwoog dat de Rvb expliciet vereist dat er een schriftelijke verklaring van de IND moet zijn waaruit rechtmatig verblijf blijkt, zoals bedoeld in artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Omdat de beroepen tegen de weigering van een verblijfsvergunning geen schorsende werking hadden, konden eisers zich niet beroepen op rechtmatig verblijf. De rechtbank verwierp ook het beroep op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het vertrouwensbeginsel, aangezien de IND herhaaldelijk schriftelijk had meegedeeld dat geen rechtmatig verblijf bestond.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de uitkering had geweigerd en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard omdat eisers geen rechtmatig verblijf hadden en daardoor geen recht op uitkering volgens de Rvb.