ECLI:NL:RVS:2007:BA3394
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen rechtstreekse werking IVRK-bepalingen bij opvang vreemdelingenkinderen
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wees een verzoek van een vreemdeling om verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat het COA een nieuw besluit moest nemen. Het COA stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat artikel 23 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) geen rechtstreeks toepasbare norm bevat voor rechterlijke toetsing van bestuursbesluiten, omdat deze bepaling onvoldoende concreet is en nadere nationale uitwerking behoeft. Ook andere relevante artikelen van het IVRK, zoals artikel 2, 3, 22 en 24, zijn niet rechtstreeks toepasbaar. Het discriminatieverbod in artikel 2 staat Pro het maken van onderscheid op zakelijke en redelijke gronden bij opvang van kinderen niet in de weg.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Hiermee werd bevestigd dat de vreemdeling geen recht op opvang op grond van het IVRK kan ontlenen en dat het besluit van het COA standhoudt.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en bevestigt het afwijzen van verstrekkingen door het COA.