ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2660
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De zaak betreft een beroep van een Nepalese vreemdeling tegen het voortduren van zijn bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was opgelegd op 14 november 2007 en duurde voort tot het moment van uitspraak. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de bewaring vastgesteld, maar moest nu beoordelen of het voortduren ervan nog gerechtvaardigd was.
Verweerder had op 4 december 2007 een aanvraag ingediend bij de Nepalese autoriteiten voor een laissez passer voor eiser. Ondanks maandelijkse navraag bleken er in 2007 en 2008 geen vervangende reisdocumenten te zijn verstrekt vanwege tijdrovende onderzoeksmethoden in Nepal. De rechtbank concludeert dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de aanvraag waarschijnlijk niet binnen die termijn zal leiden tot het gewenste resultaat.
Gezien het ontbreken van zicht op uitzetting acht de rechtbank het voortduren van de bewaring niet langer gerechtvaardigd en beveelt opheffing van de maatregel. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen vanwege de non-coöperatieve houding van eiser, die expliciet heeft verklaard niet mee te willen werken aan zijn terugkeer.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten ad € 644,-. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen mogelijk.
Uitkomst: De bewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.